Natuur en Landschap

Een 'on-Nederlands’, heuvelachtig gebied. Anders dan de rest van Nederland is Zuid-Limburg gevestigd op een dikke krijtbodem, doorsneden door de Maas en kleinere zijrivieren, en bedekt met een vruchtbare lösslaag. Omdat we in het diepe Zuiden liggen, is het hier ook een stukje warmer. En komen er hier bijzondere planten en dieren voor.

De Limburgse heuvels zijn ontstaan tijdens de vorming van de Ardennen. De bodem is toen met grote kracht omhoog gedrukt. Rivieren en smeltwater hebben vervolgens diepe dalen in de bodem uitgesleten. Het Limburgse Heuvelland is dus eigenlijk een ‘dalenlandschap’.

In samenhang met de ondergrond, reliëf, bodemgebruik en klimaat heeft Nationaal Landschap Zuid-Limburg een aantal uniek voorkomende planten- en diersoorten en leefgemeenschappen die bijdragen aan het groene karakter, zoals o.a. bronbossen, hellingbossen, kalkgraslanden, heischrale graslanden, moerassen en nat schraalgrasland in kwelzones, bronnen met kalkrijke kwel, en akkercomplexen met typisch Zuid-Limburgse akkerflora en -fauna. Voor deze bijzondere biotopen worden specifieke beheermaatregelen toegepast, zoals begrazing door schaapskudden en hamsterbeheer.

Flora en Fauna

Flora

Orchideeën

Wie kent niet de orchideeën! Deze geliefde planten vallen op door hun vaak opmerkelijke kleuren, aparte vormen en hun heerlijke geuren. Orchideeën voelen zich optimaal thuis op de kalk van Zuid-Limburg. Op de krijthellingen weten ze echt te floreren.

Bij orchideeën zijn de meeldraden en stempels vergroeid tot een zuiltje. Zodra een bij of hommel op zoek gaat naar nectar in de bloem, stoot hij tegen een steeltje waarop stuifmeelpakketjes zitten. Deze hechten zich aan de bezoeker, die zodra hij een andere plant bezoekt voor de bevruchting zorgen. De bloem bootst bijvoorbeeld de vorm van zijn bezoeker na, zoals de bijenorchis, wiens bloem op het achterlijf van een vrouwtjeshommel lijkt. Orchideeën zijn liefhebbers van warmte en de kalkgraslanden van bijvoorbeeld de Sint Pietersberg.

Zinkviooltje

Het zinkviooltje is een juweel onder planten en is te vinden in weilanden langs beken. Het heeft een karakteristiek gele kleur, met in het midden fijne strepen die naar alle kanten uitstralen. Zinkviooltjes hebben, net als zinkboerenkers en Engels gras, zink in de bodem nodig, maar zorgen via een ingenieus systeem er voor dat hun wortelstok niet te veel ervan opneemt. Ze zijn zo toleranter voor zink dan andere soorten en worden daarom op plekken met zink minder snel verdrongen.

De zinkmijnen van de 19e eeuw hebber er voor gezorgd dat er langs de oevers zink werd verspreid. Tegenwoordig is er veel zink verdwenen door het schoner worden van het water, waardoor het zinkviooltje tegenwoordig nog maar op één locatie groeit.

Het zinkviooltje bloeit van mei tot en met juli, en soms al in april.

Steeliep

De steeliep of fladderiep is een boom die wel 30 meter hoog kan worden. De kruin heeft een mooie, volle vorm. De bladeren zijn rondachtig tot omgekeerd eirond, geribbeld met een dubbelgezaagde rand en een scheve voet. De onderkant van de bladeren zijn behaard. De stam varieert van dofgrijs tot lichtbruin.

Steeliepen bloeien al vroeg in het voorjaar, voordat er bladeren aan de takken komen. De bloemen zitten op stelen en wapperen in de wind.

Iepen houden van vochtige, voedselrijke grond en kunnen bijvoorbeeld gevonden worden in beekdalen, loofbossen, holle wegen en graften. Ze kunnen goed tegen zon en verdragen lichte schaduw. Steeliepen worden vaak aangeplant, als inheemse soort zijn ze erg zeldzaam.

Varens

Varens vormen het ondergroen van de bossen. Zuid-Limburgse hellingbossen zijn rijk aan varensoorten. Op plekken waar het een beetje vochtig is en waar schaduw valt is de kans groot dat er varens staan.

Varens zijn er in alle soorten en maten, van de kleine, tere beukvarentjes tot de grote, stevige adelaarsvarens, die flink kunnen woekeren.

Varens houden ook van reliëf, maar leven ook onder Spartaanse omstandigheden zoals op muren of geheel in het water. Muurvaren en steenbreekvaren zijn soorten die graag op muren of aan binnenkanten van oude waterputten groeien.

Halverwege het jaar verschijnen de eerste sporen van varens aan de onderzijde van de bladen, die ze nodig hebben om zich te kunnen voortplanten.

Gele kornoelje

De gele kornoelje is een struik die het nog kale landschap in februari opfleurt met zijn helder gele bloemen. Bij een zachte winter is kan de bloem in de winter al ontspruiten. Zelfs als het sneeuwt of vriest, blijven ze in bloei. Zodra de bloemen opengaan, vormen ze kleine schermen. Na de bloei vallen de bloemen af en ontwikkelen zich ellipsvormige groene steenvruchtjes die in de herfst rijpen. Ondanks de zure smaak zijn vogels zijn er dol op.

Gele kornoelje is een taaie jongen en kan een zeer respectabele leeftijd van 100 jaar halen. Ze worden gemiddeld 8 meter hoog. Gele kornoeljes groeien in Zuid-Limburg in de bosrand en op kalkhellingen. Ze zijn aan te treffen in de buurt van Gulpen en in het Savelsbos bij Sint Geertruid.

Kleine pimpernel

Als je op een paadje door een kalkgrasland loopt, kan je vanaf mei een kleine, ranke plant in bloei zien. Ze staat er dan samen met soorten als bijvoorbeeld kleine bevernel, trilgras en knoopkruid.

De kleine pimpernel, ook wel sorbenkruid of bloedkruid genoemd, is een 20 tot 60 cm hoge plant met rozerode samengestelde, bolvormige bloemhoofdjes. De bladeren zijn ellipsvormig getand en staan met zes tot tien exemplaren aan een bladsteel.

De kleine pimpernel is onder andere de waardplant van de vlinder het kalkgraslanddikkopje. Je vindt deze soort ook in bermen op dijkhellingen. De plant heeft een geneeskrachtige werking. Hij wordt gebruikt om bloed te stelpen. In de Middeleeuwen dronken de soldaten een aftreksel van deze plant, in de hoop dat de wonden minder zouden bloeden.

FaunaVogels

Grauwe klauwier

De grauwe klauwier voelt zich thuis in kleinschalige landschappen, met veel hagen, struiken en graslanden. Het is van belang dat in de omgeving genoeg prikkeldraad of heggen met doorns te vinden zijn, omdat hij deze gebruikt om kevers op te prikken. Naast kevers en andere insecten staan ook hagedissen en zelfs kleine vogels op het menu, die door deze roofvogel worden opgespoord vanuit een hoge uitkijkpost of biddend in de lucht.

De grauwe klauwier is een opvallende verschijning met zijn haaksnavel en ‘Zorromasker,’ een band die van de snavel over het oog doorloopt tot de nek. Verder heeft hij een grijze kop, die overgaat in een bruine rug en een witrozige borst. De poten hebben een donkere kleur.

Met maar 200 broedparen is de grauwe klauwier een zeldzame zomergast in Nederland.

IJsvogel

Wie wel eens een blauwe, fluorescerende flits over het water heeft zien gaan, heeft een ijsvogel in actie gezien. De ijsvogel is een kleine vogel met blauwe en oranje veren en een lange, spitse snavel. Hij houdt van stromende beken met helder, zuurstofrijk water.

IJsvogels jagen vanaf takken boven het water op vissen. Als een speer duiken ze op hun prooi af, die ze pas doden en opeten als ze terug op hun ‘vaste’ uitkijkpost zijn.

In maart wisselen het mannetje en vrouwtje elkaar af bij het graven van een 50 cm tot zelfs een meter diep gat. Achter in deze ‘pijp’ maakt het vrouwtje een nest op de kale bodem. De broedtijd duurt 18 tot 21 dagen. Door verbetering van de waterkwaliteit broeden er tegenwoordig weer meer ijsvogels in Nederland.

Geelgors

Deze kleine, geelbruine zanger is altijd een lust voor het oor en het oog, als hij ergens boven in een struik zijn liedje vertolkt. Deze soort houdt zich op in kleinschalig cultuurlandschap in het oosten van ons land, met veel heggen, houtwallen en grazige bermen.

In tegenstelling tot veel andere broedvogels maakt de geelgors zijn nest op de grond. Om zich te beschermen tegen vijanden zoekt hij strategische plaatsen uit, zoals de grens tussen een bosrand en open gebied of onder een dichte haag of struik. Het nest is komvormig en samengesteld uit voornamelijk gras en ander plantenmateriaal. Het vrouwtje legt vanaf april tot augustus tussen de 4 en 10 eieren in 2 tot 3 legsels. Na 12 tot 14 dagen kruipen de jongen uit het ei. De geelgors voedt zich zaden, waar de kegelvormige snavel ook op wijst.

Grote gele kwikstaart

De grote gele kwikstaart is een vogel die leeft en broedt langs de oevers van snelstromende wateren. Zijn voorkomen was tot de jaren ’90 beperkt tot het uiterste oosten en zuiden van Nederland, maar momenteel komt hij verspreid in heel Nederland voor.

Deze zangvogel dankt zijn naam aan de felgele borst en stuit, dat naast zijn lange, wippende staart kenmerkend is. De grootste kans om deze soort te zien is bij plekken waar stuwtjes, sluizen en watermolens langs beken of kleinere rivieren liggen.

De grote gele kwikstaart is een echte insectenjager, die met zijn spitse snavel spinnen, sprinkhanen, libellen en andere insecten verschalkt.

Oehoe

De oehoe is één van de grootste uilen ter wereld, met een spanwijdte van 165 tot 190 cm en een hoogte van 64 cm. Deze uilensoort kan maar liefst 70 jaar worden. Net als de ransuil heeft de oehoe pluimoren die, in tegenstelling tot de ransuil, niet recht omhoog staan, maar naar opzij.

Oehoes zijn niet kieskeurig als het om prooidieren gaat en eten letterlijk alles wat in hun omgeving voorkomt. Hij houdt zich het liefst op in verlaten, open steengroeven of stille plekjes in een actieve groeve. Het nest bouwen ze in een holte, zodat de jongen bij regen niet nat worden en gevaar lopen al voortijdig te sterven. Het mannetje zorgt voor de voedselaanvoer, terwijl het vrouwtje het nest maakt en afwerkt met dons. De grijswitte jongen komen na ongeveer 34 dagen uit het ei. In de ENCI-groeve bij Maastricht broeden ze al een aantal jaar. Ook in andere open groeven kunnen ze voorkomen.

Insecten en weekdieren

Vliegend hert

Het vliegend hert is de grootste kever die in ons land leeft. De wat merkwaardige naam van dit insect verwijst naar de geweiachtige kaken van de mannetjes. Mannetjes hebben een donker, roodachtig achterlijf en glanzende rode kaken, terwijl de vrouwtjes meer een zwart achterlijf hebben.

Het vliegend hert voelt zich thuis in eikenbossen, zowel aan de rand als op een open plek in het bos. Hij voedt zich met de sappen uit de eik en zoete kers.

Bij gevechten om vrouwtjes probeert het ene mannetje met zijn grote kaken het andere mannetje van een tak te werpen. Als de strijd gewonnen is, vindt de paring plaats in bomen. De eitjes worden door het vrouwtje afgezet in rottend hout op de bosbodem. Uit de eitjes komen witte larven met een rode kop. Die larven leven wel enkele jaren in het hout.

Vijanden van het vliegend hert zijn onder meer sluipwespen, spechten, gaaien, maar ook wilde zwijnen. Het vliegend hert wordt bedreigd en is bij wet beschermd.

Wijngaardslak

Deze slak is de grootste van Nederland. Hij wordt ook gekweekt voor consumptie, omdat hij vaak als delicatesse te vinden is op de menukaart in restaurants.

Wijngaardslakken leven op een kalkbodem, want dat hebben ze nodig voor de groei van hun huisje. Ze leven aan de rand van loofbos, maar voelen zich ook thuis in cultuurlandschappen zoals parken, tuinen, wegbermen, graslanden en plantenkwekerijen of wijngaarden. Ze voeden zich met bladeren, groente, fruit en ook bloemen, want het zijn echte planteneters. Voedsel verzamelen doen ze ’s nachts, vanwege de lagere temperatuur. Door hun slijmspoor zijn ze in staat hun eigen voedselbron terug te vinden.

Wespenspin

Deze grote, opvallende spin met gele en zwarte golvende strepen, ook wel tijgerspin genoemd, is sinds de jaren ‘90 aan een gestage opmars vanuit het zuiden begonnen. Nu is deze soort zelfs in alle provincies van ons land te vinden.

Wespenspinnen zijn ongevaarlijk voor de mens, want hun beet is niet bedreigend en ze zijn niet giftig. Ze maken een stevig wielvormig web in het gras, waarbij er vanuit het centrale deel zilveren verdikte lijnen lopen. De wespenspin vangt hiermee laagvliegende en laagspringende insecten zoals sprinkhanen, kevers en libellen. Als er een te zware prooi in het net terechtkomt, bijt hij de draden door, zodat de rest van het web niet beschadigd wordt.

Het mannetje is een stuk kleiner dan het vrouwtje is en heeft een dofbruine kleur in plaats van de gele en zwarte strepen.

De wespenspin dankt haar naam aan de handige camouflagetruc. Als zij namelijk ondersteboven in haar web zit lijkt de spin op een wesp. Zo heeft ze minder te duchten van vijanden.

Pyjamawants

De naam ‘pyjamawants’ is afgeleid van de dekschilden van dit insect, die felrood zijn met zwarte strepen. De poten en de antennes zijn pikzwart. De felrode kleur is een waarschuwing aan hun vijanden om hen niet proberen op te eten, want ze scheiden via hun klieren een bijtende, giftige en stinkende vloeistof af. De grootte bedraagt circa 10 mm.

De pyjamawants is een schildwants en ze zijn merendeels te vinden op allerlei schermbloemigen zoals bereklauw, pastinaak, fluitenkruid, zevenblad en wilde peen.

In het voorjaar zetten de pyamawantsen hun geelachtige ei-pakketjes af aan de onderkant van een blad. Na een week komen de eitjes al uit.

Zeggekorfslak

De zeggekorfslak is donkerbruin van kleur en het gedraaide huisje heeft een lichtere bruine kleur. Hij leeft van een bepaalde groep schimmels (roest) en algen.

De zeggekorfslak is hermafrodiet en kan zich dus zelf bevruchten. De meeste dieren planten zich voort in de zomer. De provincie Limburg was vroeger een bolwerk van de zeggekorfslak, thans wordt hij in Zuid-Limburg alleen nog sporadisch in het Geleenbeekdal aangetroffen.

Koninginnepage

Er zijn niet veel grote vlinders in Nederland, maar de koninginnepage mag wel tot die categorie gerekend worden. Hij heeft gele vleugels waar zwarte dwarsstrepen door lopen en de randen van de vleugels hebben zwarte vlakken. Aan de staart zijn daarentegen opvallend blauwe vlakken te zien. Zijn spanwijdte bedraagt tot 75 millimeter.

Het lievelingslandschap van deze soort betreft droge graslanden met wilde peen op hellingen. Terwijl mannetjes wachten op vrouwtjes voeren ze baltsvluchten uit. De vrouwtjes stoten geurstoffen uit, waar de mannetjes op afkomen. De eitjes worden afgezet op wortels in groentetuinen. Het aantal kan variëren van enige tientallen tot honderden, op zijn hoogst vijfhonderd. De rups kent in totaal vijf stadia en vervelt vier keer. De koninginnepage vliegt van maart tot en met oktober.

Veldparelmoervlinder

De veldparelmoervlinder was na 1995 uit Nederland verdwenen. Gelukkig is hij in 2005 weer gesignaleerd in Zuid-Limburg, bij de Sint Pietersberg bij Maastricht. Het zijn fraaie vlinders met hun gelig-oranje vleugels met daarop een bruin vlekkenpatroon. Ze houden van kruidenrijke, open en korte bloemrijke graslanden, waarbij de structuur wat rommelig mag zijn.

Het vrouwtje zet de 50 tot 200 eitjes af op de onderkant van het blad van de smalle weegbree. Het verpoppen gebeurt in dichte vegetatie, geheel aan het oog ontrokken. Er is maar één generatie en die vliegt van mei tot halverwege juni. Deze soort is een echte zonaanbidder, als het bewolkt is blijft hij in de vegetatie. Hij verzamelt zijn nectar vooral uit de bloemen van margriet en centaurie.

In Nederland en België is de veldparelmoervlinder zeer zeldzaam, maar in de overige landen van Europa kan hij in groten aantallen voorkomen.

Reptielen en amfibieën

Geelbuikvuurpad

De geelbuikvuurpad is een juweel onder de amfibieën. Van boven ziet hij er nog onopvallend uit met zijn dof grijsbruine kleur (daardoor wel uitstekend gecamoufleerd), maar aan de onderkant heeft hij een geel met oranje buik met zwarte vlekken. In de tijd van Heimans en Thijsse was deze soort nog algemeen in Zuid-Limburg. Heimans schrijft dat als je begin 20e eeuw met je hand door een met water gevuld kalkkarrenspoor ging, je meteen meerdere geelbuiken vast had. Helaas zijn die tijden voorbij en komt de geelbuik nog maar op enkele plekken voor. Het zijn kieskeurige beesten, die alleen gebruik maken van tot 40 cm diepe poeltjes zonder waterplanten met kale oevers. Hij is zowel overdag als ’s nachts actief. De voortplantingsperiode loopt van april tot augustus. De eitjes worden onder water in groepjes op plantendelen afgezet. Na twee tot drie dagen kruipen de larven al uit het ei.

Vroedmeesterpad

De vroedmeesterpadden worden in Zuid-Limburg ook wel klungelkes (klokjes) genoemd, vanwege de hoge korte fluittoon die vanaf de schemering tot in de nacht te horen is.

De vroedmeesterpad is een bruin, grijs tot olijfkleurige pad met een fraaie verticale pupil, waarvan niet het vrouwtje, maar het mannetje de eitjes 3 tot 7 weken met zich meedraagt. Zodra de eitjes op uitkomen staan, begeeft het mannetje zich naar het water. Dit water hoeft niet warm te zijn, er zijn regelmatig vroedmeesterpadden gevonden in het koude water van drinkbakken van het vee.

Deze pad is niet zo kieskeurig, mits de omgeving een stenige structuur heeft, zoals open groeven en kerkhoven, maar ook aan op het zuiden geëxponeerde hellingbossen. In Nederland is de vroedmeesterpad beperkt tot Zuid-Limburg, waar ze maar op twaalf plekken te vinden is.

Vuursalamander

De vuursalamander is de enige landsalamander dat ons land rijk is. Hij valt niet te verwisselen met de andere salamanders. Hij is letterlijk een reus (kan tot 20 cm lang worden) en zijn opmerkelijke, twee onderbroken gele strepen over zijn verder gitzwarte lichaam vallen meteen op.

Zijn voorkeur gaat uit naar loofbossen op een helling waar bronbeekjes door heen slingeren. Bronbeekjes bevatten uiterst zuiver water met veel zuurstof. Daarbij moet er ook kalk in de bodem zitten en moet de luchtvochtigheid hoog zijn. De schuilplaatsen liggen in de schaduw en zijn koel en vochtig, precies de eisen die deze soort aan de biotoop stelt. De volwassen vuursalamanders eten voornamelijk wormen en naaktslakken.

De verspreiding beperkt zich tot Zuid-Limburg, maar er zijn losse waarnemingen uit het zuidoosten van Gelderland en uiterste noordoosten van Overijssel bekend. De vuursalamander is een bedreigde diersoort.

Rugstreeppad

De ENCI-groeve bij Maastricht is de uitgelezen plek voor de rugstreeppad. Ze komen daar zelfs met enige duizenden exemplaren voor. Halverwege april is er de massale, luide paringsroep van de mannetjes te horen.

Het is een middelgrote pad met geelgroene ogen, duidelijk zichtbare trommelvliezen en een crèmekleurige huid met groene vlekken. Hij is goed te herkennen aan de gele rugstreep en wordt niet groter dan 10 cm. De rugstreeppad wordt ook aangetroffen in duinen, uiterwaarden van grote rivieren, heidevelden, akkers, en zelfs op veengrond. De voortplanting vindt plaats in ondiepe wateren, omdat de rugstreep een slechte zwemmer is. De voortplantingstijd hangt heel erg af van het weer. Daardoor kan de rugstreeppad zelfs in juli opeens weer gaan paren. De ontwikkeling van ei tot pad gaat veel sneller dan bij andere amfibieën. Hoewel niet direct bedreigd, is de soort toch kwetsbaar.

Levendbarende hagedis

De levenbarende hagedis is de meest voorkomende soort hagedis; hij komt voor in het oosten, midden en zuiden van Nederland, en zelfs hier en daar aan de kust. De levendbarende hagedis is een kleine, bruine hagedis met een wit met zwart vlekjespatroon, beginnend achter de kop en eindigend op de staart. Zijn voorkeur gaat uit naar enigszins vochtige heide, al dan niet met vennen, maar ook naar structuurrijke weg- en spoorwegbermen, bosranden en ruigten, als er voldoende plek is om te schuilen. De soort komt op verschillende plaatsen voor in het Heuvelland. In Maastricht zitten ze bijvoorbeeld in de Hoge en Lage Fronten.

Zodra de mannetjes in april uit hun winterslaap komen, gaan ze meteen op zoek naar een vrouwtje. Zoals de naam al aangeeft, leggen ze geen eieren maar brengen ze hun jongen volledig ontwikkeld ter wereld. De zwangerschap van het vrouwtje duurt lang, ongeveer twee tot vier maanden, waardoor de jongen pas tussen juli en september tevoorschijn komen. De levendbarende hagedis verschalkt graag insecten, wormen, mierenlarven en spinnen.

Hazelworm

De hazelworm wordt vaak aangezien voor een slang, maar is in werkelijkheid een pootloze hagedis. Hij kan tot 45 cm lang worden, is rolrond en zowel licht- als donkerbruin van kleur, in mooie banen gevat. Hazelwormen hebben over het algemeen een verborgen levenswijze en zijn niet vaak te zien.

Hazelwormen leven op uiteenlopende plekken zoals bossen, bosranden, tuinen, kalkgraslanden en spoorwegbermen. Belangrijk is dat er voldoende schuilplaatsen beschikbaar zijn, zoals houtstapels of holle boomstronken.

In de lente, na de winterslaap, paren de hazelwormen. De dracht duurt 3 maanden. Net als de levendbarende hagedis komen de jongen van de hazelworm, per worp ongeveer acht, volledig ontwikkeld ter wereld. De hazelworm is een carnivoor en eet hoofdzakelijk ongewervelden. Hij staat niet op de lijst van bedreigde diersoorten.

Alpenwatersalamander

De alpenwatersalamander is qua kleur misschien wel de mooiste salamander. Dat slaat dan op de buik die prachtig sinaasappel oranje en ongevlekt is. In de voortplantingstijd hebben de mannetjes een smalle, zwart-witte rugkam. Ze zijn dan donkerblauw. Ze worden tot 12 cm groot.

De alpenwatersalamander komt in het oosten en het zuiden van het land voor. Daarbij gaat zijn voorkeur uit naar beboste gebieden, heggen en struwelen.

De alpenwatersalamander is qua voortplantingswateren niet kieskeurig en wordt aangetroffen in allerlei soorten wateren, zolang ze niet snel stromend zijn en er geen vis in voor komt. De balts vindt plaats van april tot eind mei. De eitjes worden afgezet op waterplanten. Bij ontbreken hiervan, kiezen ze voor bladeren op de bodem. De alpenwatersalamander leeft van kleinere insecten zoals vliegen en larven van muggen en kevers. De overwintering vindt plaats van oktober tot maart.

 
Zoogdieren

Vleermuizen

Vleermuizen zijn gevleugelde zoogdieren. Ze hebben een vlieghuid gespannen tussen hun vingers en poten. Er zijn zo’n 19 verschillende soorten in Nederland. Je hebt ze zo klein als een dwergvleermuis tot zo groot als een vale vleermuis, die net past in een grote luciferdoos. Vleermuizen zijn echte nachtjagers, die zodra de schemering invalt, op de wieken gaan. Tijdens hun tochten stoten ze signalen uit via de neus en vangen signalen van mogelijke prooien op met hun oren. Via deze sonar kunnen ze feilloos hun prooi lokaliseren.

Voordat de vleermuizen in winterslaap gaan, stoten mannetjes een lokroep uit, waardoor meerdere vrouwtjes op hen afkomen. Het mannetje paart met één van de vrouwtjes, waarna beide zich terugtrekken. In juni verzamelen de vrouwtjes zich in een zogenaamde kraamkamer, waarna de cyclus opnieuw begint.

Hamster (korenwolf)

De hamster is een olijke verschijning met zijn boven z’n kop uitstekende ronde oren, zijn oranjerode en witte vacht, bruine rug en opvallend zwarte buik. De veldhamster of korenwolf is een zoogdier dat vroeger algemeen voorkwam in de provincie Limburg. Maar door o.a. schaalvergroting gingen veel voor de hamster bruikbare akkers verloren. Het knaagdier leeft van plantenmateriaal.

De veldhamster is een solitair beest. Zowel mannetje als vrouwtje leeft in zijn eigen gegraven burcht. Tijdens de paringstijd in april legt het mannetje een geurspoor rond de burcht van een vrouwtje waar hij mee wil paren. Als ze bereid is volgt hij haar de burcht in. Zodra de paring heeft plaatsgevonden verdwijnt het mannetje weer. Na een draagtijd van 18 tot 20 dagen worden 4 tot 16 blinde jongen geboren. Om de winter door te komen, legt de veldhamster een voorraad granen, peulvruchten en andere zaden aan.

Hazelmuis

De hazelmuis is een kleine, beige muis met zwarte kraalogen, vrijstaande oren en een opvallend lange staart. Hazelmuizen huizen aan de bosrand waar ze een nest bouwen, dat kunstig wordt geweven uit grashalmen en bladeren.

Hazelmuizen paren laat in het jaar en het vrouwtje werpt eind juni, begin juli en eind augustus in twee keer 3 tot 7 jongen. Hazelmuizen hebben een verborgen levenswijze, niet alleen omdat het nachtdieren zijn, maar ook omdat ze zich constant onder het bladerdek aan de bosrand ophouden. Ze zijn dol op hazelnoten, waarbij de aangevreten noten op de grond op hun aanwezigheid kunnen duiden. Verder eten ze vruchten, bessen en de knoppen van bomen en struiken. Overwinteren doen ze in een nest op de bosbodem. Hazelmuizen zijn beschermd en komen alleen in Zuid-Limburg voor.

Eikelmuis

De eikelmuis heeft een opvallend voorkomen door zijn grote uitstaande oren, zwarte vlekken rond de ogen (‘Zorro-masker’) en zijn bruinzwarte lange pluimstaart. Zijn kop is over het algemeen grijsbruin, net zoals zijn rug, die op de flanken overgaat in een witte buik.

Deze hele zeldzame muis (met alleen nog enkele waarnemingen in Zuid-Limburg), houdt zich niet alleen op in bossen, maar kan ook gevonden worden in boomgaarden, parken, hagen en zelfs tuinen, mits er voldoende beschutting en bos in de buurt is. In tegenstelling tot de vrij stille hazelmuis kan de eikelmuis een heel scenario aan geluiden produceren, zoals brommen, blazen, fluiten, piepen tot zelfs krijsen.

Als de eikelmuis een nest maakt is het slordiger van bouw dan de hazelmuis. Hij maakt ook nesten in een holle boom of nestkast. Eikelmuizen zijn echte alleseters en eten vruchten, zaden, slakken tot zelfs eieren en jonge vogels.

Das

De das is door zijn verlengde kop met brede zwarte band over zijn ogen, een grijs-witte kortharige vacht op zijn rug en zwarte poten onmiskenbaar. Hij is een nachtdier en komt tegen de schemering uit zijn burcht om op zoek te gaan naar voedsel. Met zijn scherpe neus spoort hij regenwormen, gevallen fruit, eikels, nootjes, en maïs op in het (semi-) open gebied wat hij doorstruint.

De das graaft, te herkennen aan een hoop zand voor de ingang, zijn diepe burcht met verschillende kamers in een boshelling. Zo’n dassenburcht telt heel wat ingangen.

Een dassenfamilie kan bestaan uit zes tot, bij gunstige omstandigheden, zelfs 20 huisgenoten. In de lente wordt gepaard en al vanaf februari worden meestal drie jongen geboren. De jongen blijven de eerste 6 tot 8 weken ondergronds, daarna begint de verkenning van de nieuwe wereld.

Bunzing

De bunzing onderscheidt zich van de steenmarter door zijn witte en bruine masker. Verder heeft hij een lichtbruine rug en lange donkere staart. In tegenstelling tot andere marterachtige roofdieren, kan de bunzing ook overdag gezien worden, maar merendeels is een nachtdier.

De bunzing houdt zich op in kleinschalige landschappen. Hierbij kan men denken aan oeverbegroeiingen, heggen, houtwallen, maar ook waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerassen.

De paartijd loopt van maart tot mei. Na een draagtijd van zes weken komen vier tot zeven jongen ter wereld in een hol. Zo’n hol kan van een konijn, das, mol of vos zijn geweest. Als hij op jacht gaat naar voedsel verschalkt hij konijnen, hazen, ratten, vogels, kikkers, maar hij is ook dol op fruit zoals bosbessen. De bunzing is een goede zwemmer en duiker. Hij komt in heel Nederland voor, behalve op de Waddeneilanden.

Steenmarter

Steenmarters hebben een donkerbruine rug, een witte bef en een prachtige volle bruine staart. Hun kop is lichter van kleur. Vroeger leefden steenmarters op het platteland, maar sinds de jaren ‘90 zijn ze ook doorgedrongen in de steden. Het zijn slimme en behendige dieren, die van elk gat gebruikmaken om ergens binnen te dringen (bijvoorbeeld ook onder de motorkap van auto’s).

Een steenmarter gaat bij zonsondergang erop uit en legt op een dergelijke tocht wel minstens vijf kilometer af. Hij is van alle markten thuis en eet naast muizen, egels en ratten ook kevers, regenwormen en kikkers. In de herfst doet hij zich te goed aan bessen.

Van juni tot en met juli loopt de paartijd. Bij het veroveren van een vrouwtje gaat het er vaak luidruchtig aan toe. Dan volgt een lange draagtijd, want pas in april het jaar erna werpt het vrouwtje één tot vier jongen.

Vissen

Bermpje

Veel mensen weten niet dat onze inheemse visfauna rijk is aan modderkruipers, dat zijn de vissen die op de bodem van een waterloop zwemmen. Het bermpje is de kleinste van de groep en meet niet meer dan 12 cm. Ze zijn gelig bruin van kleur met een gevarieerd strepen- en vlekkenpatroon. Aan hun bek hebben ze de typische baarddraden, die ze gebruiken als tasters als ze over de bodem gaan. Hun voorkeur gaat uit naar ondiepe, langzaam stromende beken met een stenige bodem. Met de baarddraden vinden ze muggenlarven, waterpissebedden en vele andere kleine ongewervelden.

Het bermpje paait van april tot juni. Het vrouwtje zet de eitjes af op zandige, vlakke zones in de oever. In tegenstelling tot vele andere vissoorten kunnen ze redelijk overleven in vervuild water. Het bermpje komt in grote delen van het oosten en zuiden van ons land voor en wordt niet bedreigd.

Water

Water speelt een belangrijke rol in het Limburgse heuvellandschap. Niet alleen omdat het landschap is gevormd rond de beekdalen en de Maas, maar ook omdat in en rond het water van de kleinere beeklopen veel bijzondere plant- en diersoorten voorkomen. En omdat het water bijna het gehele seizoen door de beken stroomt, vind je in Nationaal Landschap Zuid-Limburg de grootste concentratie van watermolens in Nederland.

Historisch Erfgoed

Door de aanwezigheid van water, vitale grondstoffen en dankzij het reliëf, de vruchtbare bodem en de vlakkere delen is dit gebied van oudsher vrijwel onafgebroken bewoond geweest door de mens: van (pre-) Neanderthalers, de eerste Bandkeramiekboeren, de Kelten, Romeinen, Merovingers en Karolingers via de Middeleeuwen tot aan de multiculturele mijnbevolking van de vorige eeuw.

Zuid-Limburg kent daarmee een rijk en gevarieerd cultuurhistorisch erfgoed met archeologische en cultuurhistorische objecten uit alle tijden. Dwars door Nationaal Landschap Zuid-Limburg loopt het tracé van de voormalige Romeinse weg tussen Boulogne sur Mer en Keulen (de “Via Belgica”). In de beekdalen vind je talloze kastelen, oude boerderijen en watermolens en overal op de plateaus een rijk religieus erfgoed (kapellen, veldkruisen). Deze veelal bewaard gebleven landschapselementen zijn kenmerkend voor het Zuid-Limburgse kleinschalige lösslandschap en komen elders in ons land weinig voor.

Daarnaast zijn er in de voormalige Mijnstreek (Sittard-Geleen en Parkstad Limburg) in het landschap nog overblijfselen van het recente mijnverleden terug te vinden.

Landbouw en veeteelt

Karakteristiek voor Nationaal Landschap Zuid-Limburg is een grondgebonden land- en tuinbouw, met vooral akkerbouw, melkveehouderij en fruitteelt, maar ook de productie van typische streekproducten, zoals wijn, stroop, kaas, fruit, bier, vlaai en vleesproducten. Biologische landbouw is in opkomst. Een verbreding van landbouwbedrijven naar niet-agrarische functies (zoals zorgboerderijen, kamperen bij de boer, appartementen) is een algemeen verschijnsel in Zuid-Limburg.

Cookies & Privacy
Terug naar boven